2026 wordt voor veel maistelers op zand- en lössgrond een puzzel. Het is het laatste jaar waarin voor tijdsblok 1 nog een rustgewas kan worden ingezaaid. Nu we al richting het voorjaar gaan, worden de keuzes beperkter. Een mogelijke strategie is het zaaien van ultravroege mais, gevolgd door een onbemest vanggewas vóór 1 september.
In 2021 en 2024 is uitstel verleend voor het zaaien van een vanggewas na mais tot na 1 oktober, omdat de mais toen nog niet rijp was. Dat roept de vraag op: is zo'n vroege oogst wel realistisch?
De slagingskans van een vroege maisoogst hangt in principe af van drie factoren. Dat zijn: goed teeltmanagement, de juiste genetica en ‘een beetje geluk’. Met geluk bedoelen we de omstandigheden die de teler niet kan beïnvloeden. Om de invloed hiervan zo klein mogelijk te houden, zijn goed teeltmanagement en de juiste genetica van groot belang.
Temperatuur en neerslag spelen hierin een grote rol. Bij lage temperaturen groeit mais minder goed, terwijl veel neerslag ervoor zorgt dat de plant langer vocht opneemt, waardoor de afrijping vertraagt. Tussen de jaren bestaan grote verschillen. Denk aan de extreem droge zomer van 2018 of het zeer natte seizoen van 2024.
Kijken we naar de gemiddelde temperatuursom van april tot september, dan zien we duidelijke regionale verschillen. In Eindhoven rijpt de mais normaal gesproken eerder af dan in Hoogeveen, door de hogere temperatuursom. In het zuiden kan bovendien vaak eerder worden gezaaid door hogere (bodem)temperaturen in het voorjaar. Ook de hoeveelheid neerslag verschilt per regio en per jaar, wat invloed heeft op de ontwikkeling en afrijping van de mais.
Let er wel op dat de beginontwikkeling doorslaggevend is. Soms is het beter iets later te zaaien, zodat de plant vlot kan doorgroeien, dan te vroeg te zaaien met een matige jeugdontwikkeling. De kracht van ultravroege mais zit vaak in de eindsprint richting afrijping.
Genetica speelt een sleutelrol bij het oogstmoment. Ultravroege mais heeft een zeer kort groeiseizoen en wordt ook wel 100-dagenmais genoemd. Wie maximale zekerheid wil van een oogst vóór 31 augustus, kiest het beste voor ultravroege rassen.
De rassen AMBIENT en FLYNT behoren tot de vroegste van Nederland en geven de meeste zekerheid op een tijdige oogst.
Op het demoveld in het Noord-Limburgse Ven-Zelderheide hebben we vorig jaar, net vóór de oogst op 25 augustus, het drogestofgehalte van het ultravroege maisras FLYNT beoordeeld. Dat gebeurde met behulp van de schattingstabel uit het Handboek Snijmais. De mais was toen 108 dagen oud en gezaaid op 9 mei.
Op basis van deze gegevens en de tabel uit het Handboek Snijmais kwamen we uit op een totaal van circa 35% droge stof op 25 augustus.
Deze ervaring laat zien dat een maisoogst vóór 1 september zeker haalbaar is, mits wordt gekozen voor de juiste ultravroege genetica, gecombineerd met goed teeltmanagement en passende omstandigheden.