| Blad | Bladbasis gerold, bladschede niet versmolten en kaal tot licht behaard. Bladblad 4-12 mm breed, licht gegroefd met een uitgesproken kiel. De bovenkant van het blad is licht behaard of kaal, de onderkant van het blad is kaal en dof. Het blad heeft bij doorkijk geelgroene lijnen. Tongetje middellang tot lang, wit en zwaar gefranjerd. Geen bladoor. |
| Halm | Halme ik. D. R. rechtopstaand, licht gebogen aan de basis. Zeer hoog, tot 150 cm. Vormt vaak steriele stengels. Na het snijden kunnen er nieuwe stengelscheuten ontstaan. |
| Bloeiwijze | Veelzijdige dubbele tros of pluim met verschillende aantallen zijtakken op de treden van de hoofdas. Deze zijn vóór de bloei nauwsluitend, spreiden zich uit tijdens de bloei en blijven verspreid. Aartjes ongeveer 10 mm lang en tweebloemig. De onderste bloem is mannelijk, het lemma heeft een lange luifel. De bovenste bloem is hermafrodiet en zonder luifel. Glumes kort trilharen. |
| Fruit | De kafvrucht is nog steeds verbonden met het lemma en de palea van de tweede mannelijke bloem, zodat er naast de caryopsis 2 lemma en 2 palea staan. Deze dubbelgedopte vrucht is 7-10 mm lang en 2 mm breed. Het lemma van de mannelijke bloem heeft een lange, geknikte en naar boven gedraaide rugluifel. Getuft harig aan de basis. Caryopsis valt tijdens het dorsen uit de kaf. Naakte korrels 4-5 mm lang, 1,5 mm breed. TKG 3,5 g. |